JA-110ST

Serviceuitleg voor JA-110ST

Bedrade brandmelder

Deze bedrade detector is onderdeel van het JABLOTRON JA-100 alarmsysteem. De sensor detecteerd brandgevaar binnenshuis. Het is niet bedoeld voor installatie in een industriële omgeving. De melder bestaat uit een optische rookdetector en een temperatuursensor. De optische rookdetector is zeer gevoelig voor grotere deeltjes, die in dichte rook voorkomen, minder gevoelig voor kleine deeltjes, die ontstaan bij branden van vloeistoffen, zoals alcohol. Daarom is er ook een temperatuursensor ingebouwd, die een langzamere reactie heeft, maar is in staat een brand met een kleine hoeveelheid rook opmerken. De detector reageert op de toestand en meldt deze door aan het controlepaneel. Het product is bestemd voor montage door een geschoolde technicus met een geldend Jablotron certificaat. 

Detector plaatsen
Rook komt in de detector via de stromende lucht – daarom moet die op een plaats zijn geïnstalleerd, waar de lucht goed stroomt dankzij een natuurlijke thermische circulatie (meestal naar het plafond). De detector kan alleen in een afgesloten interieur gebruikt worden. Het is niet geschikt daar, waar de rook zich kan verspreiden en afkoelen (bijv. hoge plafonds – meer dan 5 m) – rook komt dan niet tot de detector.
In flats moet de detector altijd in het naar de uitgang lopende gedeelte zijn geïnstalleerd (ontsnappingsroute) zie afbeelding 1. Als het vloeroppervlak in de flat 150 m2 overschrijdt, moet daar nog een andere detector geïnstalleerd worden, in een ander deel van de woning, zie afbeelding 2. 




afbeelding 1



afbeelding 2



afbeelding 3

Men adviseert in elke kamer, waar mensen slapen, een detector te installeren. 

Onder vlakke plafonds plaatsen
Als het mogelijk is, installeer de detector in het midden van de kamer. Daar bij het plafond een koude laag kan ontstaan, mogen de detectoren niet in het plafond zijn ingezonken. De branddetector mag nooit in een hoek van de kamer zijn geïnstalleerd (een afstand van min. 0,5 m van de kamerhoek naleven, zie afbeelding 4). In de hoeken circuleert de lucht slecht.

Onder schuine plafonds plaatsen
Heeft het plafond geen geschikt recht oppervlak (bijv. een zolderkamer), kan de detector volgens afbeelding 5 worden geplaatst.



afbeelding 4



afbeelding 5
het midden van de kamer, de beste plaats, een mogelijke plaats

Wanden, tussenschotten, hindernissen, plafonds met blote draagbalken
De detector moet minimaal 0,5 m van een wand of hindernis geïnstalleerd worden. Is de ruimte smaller dan 1,2 m moet de detector binnen het middelste derde deel van de breedte ervan zijn geïnstalleerd. Als de kamer in secties is opgedeeld door middel van meubelen, stellages of halve tussenschotten, waarboven niet meer dan 0,3 m afstand tot het plafond is, moeten de individuele secties als aparte kamers beschouwd worden. In alle richtingen onder en rondom de detector moet een vrije ruimte blijven, van min. 0,5 m. Elke onregelmatigheid van het plafond (zoals een draagbalk), met afmetingen groter dan 5 % van de plafondhoogte, worden als wanden beschouwd waarbij al het hierboven genoemde van kracht blijft. 

Ventilering en luchtbeweging
Detectoren mogen niet direct bij de uitmonding van ventilering, airco en derg. zijn geïnstalleerd. Als de lucht via een geperforeerd plafond wordt ingevoerd, mag het plafond 0,6 m in alle richtingen rondom de detector niet geperforeerd zijn.

Detector niet plaatsen:
? Daar, waar de lucht slecht stroomt (niches, hoeken, nokken van plafonds bij A-daken en derg.)
? daar, waar het stoffig is, gerookt wordt of stoom voorkomt
? op plaatsen, waar de lucht intensief stroomt (dicht bij ventilatoren, warmtebronnen, mondingen van ventilatie, tochtgaten en derg.)
? in keukens en vochtige ruimtes (stoom, rook en vette damp kunnen vals alarm of detectiestoring veroorzaken)
? naast TL- of spaarlampen (elektrische storing kan een vals alarm oproepen)
? op plaatsen met grote hoeveelheden kleine insecten

Opgelet: Het vaakst wordt de detector ongewenst actief door een verkeerde installatieplaats.
Meer gedetailleerde aanwijzingen voor installatie zijn in CSN TS 54-14 te vinden.

Installatie
Bij installatie de adviezen volgens de voorgaande leden opvolgen.



Afbeelding 6: 1 – detector losmaken (afhalen); 2 – detector vastzetten (opzetten); 3 – optische signalering; 4 – oriëntatiepijl voor het opzetten; 5 – klemmen van de bus; 6 – serienummer 

1. Open de kap van de detector door die naar links te draaien (1).
2. Trek de buskabel door en schroef het plastic achterwandje op de gekozen plaats vast.
3. Sluit de buskabel aan.

Voor het aansluiten van de BUS moet het systeem van de voeding zijn losgekoppeld.

4. Volg verder de installatiehandleiding van de centrale op. Basisstappen:
a. Na het aanzetten knippert het gele signaallichtje omdat de detector niet in het systeem is ingedeeld.
b. In het F-Link programma op de kaart Randapparaten de gewenste positie kiezen en met de Inlezen toets de leermodus opstarten. 
c. Zet de detector op het plastic achterwandje. Het kan alleen in één positie, aangeduid met pijltjes (4) aan beide kunststof delen. Door draaien bevestigen. Daardoor komt de sabotagesensor binnen in contact en de detector leert. Het gele signaallichtje (3) zal doven.

Eigenschappen detector instellen
Dit wordt door het F-Link programma gedaan – kaart Randapparaten. Op de positie van de detector Interne instellingen kiezen. Een dialoog verschijnt, waarin ingesteld kan worden:
LED indicatie aan: de rode LED dat activering signaleert kan worden uitgezet.
Wijze van detectie – alleen rook, alleen temperatuur, rook en temperatuur gelijktijdig, rook of temperatuur.

Detector testen en onderhouden
Werking van de detector kan door een testspray gecontroleerd worden. De wetgeving adviseert de detector 1x per 30 dagen te testen. De detector moet regelmatig van stof, spinnenwebben en derg. ontdaan worden.

Let op: Nooit de detector m.b.v. het aanmaken van open vuur in het object te testen.

Indicatie van storing
De detector controleert automatisch eigen werking. Zodra een storing geconstateerd wordt, licht het gele controlelichtje op. Neem in dat geval de accu’s voor 1 minuut uit en zet die weer in. Als het lichtje na ca 1 minuut opnieuw permanent gaat branden, breng de detector naar de service.

Technische parameters
Voeding vanuit de BUS van de centrale 12 V (9…15 V)
Stroomverbruik bij stand-by (rust) 5 mA
Stroomverbruik voor keuze van kabel 10 mA
Afmetingen diameter 126 mm, hoogte 50 mm
rookdetectie optische lichtdiffusie
gevoeligheid rookdetector m = 0,11 ¸ 0,13 dB/m cf. CSN EN 54-7
temperatuurdetectie klasse A2 conform CSN EN 54-5
alarmtemperatuur 60°C t/m 70°C 
bereik werktemperaturen -10°C t/m +80°C
Voldoet aan CSN EN 54-5, CSN EN 54-7 
verder CSN EN 50130-4, CSN EN 55022 
JA-110ST